Soft en Honkbalvereniging

Speluitleg softbal

Softbal is één van de veiligste veldsporten. Het wordt gespeeld tussen twee teams. Elk team bestaat uit tenminste negen spelers. Eén team staat in het veld voor de verdediging, het andere team zit in de dug-out voor de aanval. Van dit team komen één voor één de spelers aan slag, volgens een vooraf bepaalde slagvolgorde. De speler die aan slag is, gaat met een knuppel bij de thuisplaat staan en wacht op de bal die de werper van de veldpartij onderhands aangooit. Door de bal weg te slaan kan de loper naar het eerste honk of verder rennen. De veldpartij probeert de bal te vangen of naar dat honk te gooien voordat de slagman daar is om hem uit te maken. Het aanvallende team scoort een punt als de loper via het eerste, tweede en derde honk de thuisplaat bereikt. Het is de taak van de veldpartij om dat te voorkomen.

Veel mensen denken dat honk- en softbal hetzelfde zijn, maar dat is niet zo. Er zijn een paar verschillen. Bij softbal zijn de afstanden van het speelveld en ook de grootte en de zwaarte van de speelbal anders dan bij honkbal. Een verschil dat direct opvalt, is dat bij honkbal de werper de bal bovenhands aangooit, terwijl bij softbal dit onderhands moet gebeuren. De rest van de spelregels zijn in grote lijnen hetzelfde, uitgezonderd het loslaten van een honk. Dat mag bij softbal pas gebeuren als de pitcher de bal aangooit, terwijl dat bij honkbal altijd mag.

Wat de mannen betreft, zij hebben het softbal langzamerhand ook ontdekt. In de meeste landen is softbal trouwens geen typische vrouwen- of meisjessport. En ‘soft’ is het spelletje ook allerminst. In Amerika werpen topwerpsters zo'n 15% harder dan de beste profpitchers in het honkbal.


DE GESCHIEDENIS VAN SOFTBAL

Softbal komt, net als honkbal, van oorsprong uit Amerika. Het spel werd in november 1887 in Chicago uitgevonden toen een paar studenten honkbal in een sporthal wilden gaan spelen. Ze tekenden met wat krijt een thuisplaat en de honken op de vloer. De afstanden waren wat kleiner dan het honkbalveld en men besloot dat onderhands werpen veiliger was.
Op dat moment konden ze nog niet bedenken dat sofbal momenteel in de Verenigde Staten alleen al door zo’n 25 miljoen mensen wordt gespeeld. In de rest van de wereld zijn dat er nog eens miljoenen in ongeveer 100 landen.

In de beginjaren werd er van alles als bal gebruikt. Van dichtgenaaide boxhandschoenen tot kleine medicineballen. Pas in 1926 kreeg het spel de naam Softball. In 1934 werd de sport ‘officieel’ toen de spelregels werden vastgesteld. De sport ontwikkelde zich in twee richtingen; slow-pitch en fast-pitch. Het slow-pitchsoftbal wordt eigenlijk alleen in Amerika gespeeld, terwijl het fast-pitchsoftbal zich over de wereld heeft verspreid. In 1991 werd deze tak van sport als Olympische sport erkent. In 1996 werd het voor het eerst tijdens het Olympisch toernooi in Atlanta gespeeld. Meer dan 120.000 mensen kwamen naar het stadion. Alhoewel de sport ook door mannen wordt beoefend, komen bij de Olympische Spelen alleen vrouwen in actie.

NEDERLAND
Het Nederlandse softbal heeft in de laatste 20 jaar een grote ontwikkeling doorgemaakt. Vroeger werd er alleen in de regio Haarlem op hoog niveau gesoftbald. Tegenwoordig zijn er meer dan 50 clubs. Softbal is een sport die je met evenveel plezier prestatie gericht of zuiver recreatief kunt spelen. Daarom wordt het zo graag op de middelbare scholen gespeeld. Nederland was in 1996 bij het eerste Olympische softbaltoernooi vertegenwoordigd met een team dat uiteindelijk als 7e eindigde. Voor Sydney 2000 wisten de Nederlandse softbalsters zich niet te kwalificeren. Ook bleek 'the road to Athens' in 2003 een doodlopende weg. Oranje slaagde er in het Olympisch kwalificatietoernooi niet in een startbewijs voor de Spelen in Athene te bemachtigen.

Lange tijd gold Nederland als het beste softballand van Europa. Evenals de honkballers grossierde de ploeg in Europese titels. De laatste tijd moet Nederland het echter afleggen tegen aartsrivaal Italië en 'nieuwkomers' Rusland en Tsjechië.

Bij het eerste Europees Kampioenschap werd Nederland in 1979 de allereerste Europees kampioen softbal. Italië eindigde voor België op een tweede plaats. Ook in de jaren 1983 en 1984 eindigde Nederland voor Italië en België op de eerste plaats. In 1981 werd Zweden derde op het EK. Goud ging opnieuw naar Nederland en het zilver naar Italië. In 1986 doorbrak Italië eindelijk de hegemonie van Nederland. De ploeg was in de finale te sterk voor Oranje. België werd in dat jaar voor de vierde keer derde.

EUROPESE TITEL
Nederland behaalde in 1988 en 1990 voor de laatste keer de Europese titel. Hierna nam Italië de fakkel over. Vanaf 1992 won de Italiaanse ploeg vijfmaal de Europese titel. In '92, '95 en '97 werd Nederland in de finale verslagen. In die jaren verscheen ook Tsjechië op het podium. De ploeg haalde vier keer achter elkaar een derde plaats en verbeterde deze prestatie zelfs in 1999 en 2001. Ten koste van Nederland legde Tsjechië beslag op de tweede plaats. Hierdoor werd Nederland in 2001 derde. Twee jaar daarvoor wist Nederland zich voor de eerste keer in de historie niet bij de eerste drie op een Europees Kampioenschap te spelen.

SPELREGELS
Zoals bij veel sporten geldt ook voor softbal dat je moet weten wat de spelregels zijn om het goed te kunnen spelen. Het wordt ook leuker om naar een wedstrijd te kijken wanneer je de spelregels een beetje kent. Voor een leek lijkt softbal een sport met veel momenten waarin er van alles gebeurt. Wanneer je de spelregels begrijpt kun je voorstellen wat de tactiek van de teams in spelsituaties kan zijn, en wordt een wedstrijd een stuk spannender.

Het veld:
Het veld wordt bepaald door twee in een rechthoek staande foutlijnen. Op het kruispunt van deze lijnen bevindt zich de thuisplaat. In het veld zijn nog drie honken neergelegd, die samen met de thuisplaat de vier hoeken van een vierkant vormen.
De pitcher:
De pitcher staat op de werpplaat, die zich in het midden van het veld in de werpcirkel bevindt. De pitcher moet de bal naar zijn teamgenoot, de catcher, werpen die achter de thuisplaat zit.
De slagzone:
De pitcher moet de bal over de thuisplaat werpen, op een variërende hoogte, afhankelijk van de stand van de knieën en de borst van de slagman. Deze denkbeeldige rechthoek noemt men de slagzone.
De slagman:
De aanvallende partij moet de goed geworpen ballen in de goede richting slaan (dus binnen de foutlijnen). Na het slaan laat hij de knuppel los en rent naar het 1e honk. Na het 1e, 2e en 3e honk te hebben aangeraakt en tot slot de thuisplaat heeft de slagman één punt gescoord.

DE VERDEDIGING:
De verdedigende partij probeert de slagman/honkloper uit te maken. Dit kunnen ze op verschillende manieren doen; 3- slag, vangbal, uittikken en bij een gedwongen loop het honk aantikken.

3-slag:
Wanneer de bal de slagzone passeert en de slagman de bal voorbij laat gaan, of hij de bal niet raakt, dan roept de scheidsrechter "slag" of "strike". Na drie slagballen niet geraakt te hebben is de slagman uit en moet weer plaatsnemen in de dug-out.
Vangbal:
Wanneer de slagman de bal slaat en naar het 1e honk rent, maar de geslagen bal wordt "direct" gevangen door een speler van de verdedigende partij dan is de slagman ook uit.
Het uittikken:
Na de bal in de goede richting te slaan wordt de slag man een honkloper. Hij kan uitgetikt worden als een speler van de verdedigende partij hem met de bal aanraakt, terwijl hij niet in contact is met een honk.
Gedwongen loop:
Wanneer een honkloper een honk nadert en niet terug kan keren naar het vorige honk, bijvoorbeeld doordat hij net geslagen heeft en bij het eerste honk aankomt of omdat er op het vorige honk nu een andere loper is, dan is er spraken van een gedwongen loop. Nu hoeft de honkloper niet uit getikt te worden maar gaat het er om wie er eerder bij het honk is, de loper of de bal. Wanneer dit de loper is dan is hij ‘safe’ of ‘in’. Wanneer de bal eerder is dan is de honkloper uit.
4-wijd:
Als de werper de bal niet in de slagzone gooit en de slag man slaat niet, dan is er spraken van een wijd "bal". Wanneer het totaal van wijd ballen (ook afgewisseld met slagballen) op 4 komt, moet de slagman naar het eerste honk.

DE AANVAL:
De lopers op de honken zullen proberen een honk verder te komen of op de thuisplaat te scoren. Dit kan door een honkslag van een teamgenoot of door een fout van de verdedigende partij gebeuren. De aanvallers op het veld kunnen maximaal met z'n vieren zijn, nl. de slagman en drie honklopers.

Gestolen honk:
De honklopers kunnen ook het volgende honk proberen te bereiken zonder dat er geslagen wordt. Dit kan gebeuren als een honkloper naar het volgende honk rent en de verdediging is te laat met de aangooi op dat honk. Ook de achtervanger kan de bal laten schieten of verkeerd aangooien. Men spreekt dan van een gestolen honk.
Foutbal:
Wanneer de slagman de bal wegslaat, maar die belandt niet in het veld, maar aan de verkeerde kant van een foutlijn, dan is er sprake van een foutbal. In dat geval mogen eventuele lopers op de honken geen honk opschuiven, en moeten ze terug naar het honk waar ze voor de foutbal stonden. De bal telt voor de slag man als een slag, tenzij hij al 2 slag had voordat de bal werd geworpen. In dat geval blijft hij gewoon 2 slag houden.
Geldige slag:
Door een goed geslagen bal kan de slagman één of meer honken bereiken en de honklopers kunnen allemaal één of meer honken opschuiven zonder dat zij uitgemaakt kunnen worden. Wanneer op een geslagen bal een fout wordt gemaakt door de verdedigende partij, dan geldt dit ook als een goed geslagen bal.
Dubbel spel:
Wanneer er behalve de slagman/loper nog meer lopers op de honken zijn, heeft de verdedigende partij de mogelijkheid om meer dan één speler uit te maken. In het bijzonder als het een geval van ‘gedwongen loop’ is op een korte slag of wanneer er spraken is van een gevangen bal en de lopers moeten terug lopen naar het losgelaten honk.
Wisselen:
Zodra drie van de aanvallende partij zijn uitgeschakeld, eindigt een helft van een inning. Het team in de verdediging verlaat het speelveld om te gaan slaan en het team wat aan slag was neemt nu de positie in het veld in. Het wisselen dient zo snel mogelijk te gebeuren.

TAKEN VAN VERSCHILLENDE SPELERS

Pitcher (1)

De pitcher (werper) gooit de ballen die slagman moet proberen weg te slaan. De pitcher krijgt van de catcher tekens wat voor bal hij moet gooien. Deze tekens geven aan wel of geen effect, wat voor effect en de plaats waar de bal moet komen. De pitcher en catcher proberen de slagman drie slagballen te geven, zonder dat deze ze (goed) kan raken. Een bal is slag als de bal met een gedeelte over de thuiplaat gaat en de bal op het moment van passeren van de thuisplaat zich tussen knie en schouderhoogte bevindt. Indien de bal niet aan deze eisen voldoet is de bal wijd, maar als de slagman op een dergelijke bal slaat wordt er een slag gerekend. Bij vier wijd krijgt de slagman een vrije loop naar het eerste honk. Als de slagman door de pitcher raak gegooid wordt krijgt deze ook een vrije loop. Als de slagman de laatste bal misslaat of niet slaat op een slagbal is de slagman uit indien de catcher de bal vangt. Als de catcher de bal laat schieten, mag de slagman proberen naar het eerste honk te komen. De catcher zal de gemiste bal naar het eerste honk gooien. Als de bal door de eerste honkman gevangen wordt en hij eerder het honk aanraakt dan de slagman (loper) is deze uit.


Catcher (2)

Dit is eigelijk de dirigent van de veldpartij. De catcher geeft aan wat voor ballen de pitcher moet gooien. Als er een bal in het outfield geslagen wordt stuurt de catcher de tussenpersoon die de bal uit het outfield terug moet gooien. De hoofdtaak van de catcher is natuurlijk de door de pitcher gegooide bal te vangen. Voor de veiligheid heeft de catcher de volgende beschermende kleding aan: helm met masker en keelbeschermer; bodyprotector; legguards (beenkappen); en voor de mannen een tok (ook alle andere mannelijke spelers hebben deze aan).
Eerste honkman (3)
De eerste honkman heeft een belangrijke taak. Indien een slagman erin slaagt de bal weg te slaan zal men hem bij voorkeur op het eerste honk proberen uit te maken. De slagman moet altijd gedwongen naar het eerste honk (natuurlijk niet bij vier wijd of geraakt door werper). Het is voor de eerste honkman dan ook voldoende om de slagman uit te branden. Branden is het met de bal in het bezit aanraken van het honk voordat de loper het honk raakt.
Tweede honkman (6) en korte stop (4)
Deze twee spelers verdedigen samen het tweede honk. Afhankelijk van uit welke richting de bal komt neemt één van de twee het honk terwijl de andere speler dekt, om eventuele doorgeschoten ballen op te vangen. De honkloper die op het eerste honk staat te wachten, zal proberen het honk te stelen. Dit wil zeggen hij naar het volgende honk gaat zonder dat er een bal geslagen is. De honkloper moet dan uitgetikt worden, omdat het geen gedwongen loop is. Het tikken moet met hand waarin de bal zit en indien de veldspeler de bal bij het tikken laat vallen is de speler ‘in’ of ‘safe’.
Als de slagman de bal wegslaat met een honkloper op het eerste honk is het voor de veldpartij voldoende om op het eerste en tweede honk te branden en ze hebben er twee nullen bij. De korte stop staat zo opgesteld dat hij de meeste geslagen ballen te verwerken krijgt. Bij een linkse slagman schuift het hele veld op, zodat de tweede honkman nu een soort korte stop wordt.
Derde honkman (5)
Een honkloper die het derde honk bereikt staat klaar om een punt te scoren. De derde honkman heeft dan ook de taak om te zorgen dat deze honkloper zijn honk niet bereikt. Als er een honkloper zijn honk heeft bereikt moet hij deze zo lang mogelijk bij zijn honk houden. Bij een stootslag zal de derde honkman inlopen op deze bal, de korte stop neemt dan het derde honk over.
De verre velders (7,8,9)
De verre velders staan in het buitenveld. Dat is het grootste gebied van het softbalveld en die moeten ze met z’n drieën verdedigen. Er staat er één in het linksveld, één in het midveld en één in het rechtsveld. Ze hebben de taak een bal die in het buitenveld komt te vangen of te fielden en zo snel mogelijk naar het binnenveld te gooien. De verre velders moeten ook helpen bij het dekken van het binnenveld. De verre velders moeten dus beschikken over een groot uithoudingsvermogen en een goede arm. Zoals uit dit verhaal blijkt staan de verre velders niet op een balletje te wachten. Bij iedere actie komt het gehele veld in beweging om te verwerken, te verdedigen of aanwijzingen te geven.

VERSCHILLEN TUSSEN SOFT- EN HONKBAL
Er zijn een aantal belangrijke punten waarop deze twee sporten van elkaar verschillen. Deze verschillen zullen we nu gaan bespreken.

Het veld
Als we kijken naar het veld, valt op dat deze er precies hetzelfde uitziet als een honkbalveld. Het is alleen een stuk kleiner. Als we de afstanden vergelijken zien we:
Honkbal / Softbal
Afstand tussen de honken 27,50 meter / 18,30 meter
Afstand pitcherplaat 18,45 meter / Vrouwen:12,20 m
Afstand pitcherplaat 18,45 meter / Mannen: 14 m.
Afstand tot hek min. 75 meter / min. 60 meter
De spelers
Opmerkelijk verschil tussen de twee sporten, is het volgende verschil; honkbal wordt alleen door mannen gespeeld. Hoewel op jonge leeftijd meisjes zo nu en dan wel meedoen met de jongens, is er geen aparte honkbalcompetitie voor vrouwen/meisjes. Dit is anders voor softbal. Dames spelen hierbij wel in competitie tegen elkaar. Mannen spelen ook softbal in een aparte mannencompetitie. Je kunt je wel voorstellen wat voor een explosief spelletje dat kan zijn als die mannen met hun kracht en snelheid op een kleiner veld spelen. Softbal is dus niet de vrouwelijke variant van het honkbal zoals veel mensen denken en zeker niet softer...

MATERIAAL
Zowel de ballen als de knuppels waarmee gespeeld wordt zijn verschillend. Bij honkbal wordt er gespeeld met een bal met een omtrek tussen de 22,9 en de 23,5 cm. Bij softbal wordt er gebruik gemaakt van een veel grotere bal. Deze bal heeft een omtrek tussen de 30,2 en de 30,8 cm. Ook de afmetingen van de knuppels verschillen. Bij honkbal mag de knuppel niet langer zijn dan 1,07 meter, bij softbal niet langer dan 86 cm. Bij honkbal mag de diameter maximaal 7 cm zijn, bij softbal niet meer dan 5,7 cm.

SPELREGELS
Er zijn een aantal spelregels bij het softbal die afwijken van het honkbal. De twee opvallendste lees je hieronder.
1. Honklopers mogen bij honkbal op elk moment dat de bal in spel is, proberen een honk te 'stelen'. Dit is proberen een honk verder te komen, zonder dat de bal geslagen wordt. Bij softbal geldt de regel dat er pas 'gestolen' mag worden als de bal de hand van de pitcher verlaten heeft.
2. De pitcher bij het honkbal moet bovenhands de bal aangooien. Bij softbal wordt de bal onderhands aangegooid.